dyslexie-onder-de-knie

 
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
Dyspraxie
Print

Dyspraxie komt van de woorden ‘dys’ ( =moeilijk) en praxie (= beweging). Dyspraxie wordt ook wel Developmental Coordination Disorder (DCD), Minimal Brain Dysfunction: Motor Learning Difficulty, genoemd. In het verleden werd in Engeland de naam ‘Clumsy Child Syndrome (Onhandig Kind Syndroom) gebruikt.

Dyspraxie tast de organisatie en coördinatie van beweging, gedachten en soms spreken aan. Mensen met dyspraxie hebben moeite met het uitvogelen, plannen en uitvoeren van gevoels- en bewegingstaken.

Dyspraxie is een onvolwassenheid van de organisatie van beweging, veroorzaakt door de manier waarop de hersenen informatie verwerken, met als resultaat dat boodschappen niet goed of onvolledig overgebracht worden.

Leerlingen met dyspraxia hebben moeite met hun hele coöordinatie, wat tot problemen leidt als ze bijvoorbeeld moeten schrijven of iets van het bord moeten kopiëren. Ook kunnen ze zich vaak slecht concentreren en organiseren.

Hoe vaak komt dyspraxie voor?

Ongeveer 6 - 10% van de mensen hebben dyspraxie, en 2% heeft het in ernstige mate. Dyspraxie komt vier keer vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en kan samengaan met andere aandoeningen zoals dyslexie, ADD of ADHD.

  

De belangrijkste kenmerken van dyspraxie zijn:

Grote motorische vaardigheden - grote bewegingen 

  • Moeite met het plannen en uitvoeren van grote bewegingen zoals lopen in een rechte lijn, rennen, fietsen, hinkelen, touwtje springen, een bal vangen.
  • Vaak struikelen, een slechte houding hebben, tegen dingen aanbotsen, vaak ongelukjes hebben.

Kleine motorische vaardigheden - kleine bewegingen 

  • Moeite met de fijne motoriek, het plannen en uitvoeren van kleine bewegingen zoals schrijven, naaien, typen, een mes en vork gebruiken, een potlood vasthouden, veters strikken, tanden poetsen, een schaar gebruiken, ritsen of knopen dichtdoen. 

Moeilijkheden met waarnemen 

  • Slecht ruimtelijk inzicht met verwarring tussen links en rechts, voor en achter, b en d, p en q. 
  • Moeilijkheden met visuele waarneming, met als gevolg moeite met vloeiend lezen, kopieren en schrijven. 
  • Moeilijkheden met auditieve waarneming, met als gevolg het niet kunnen volgen van een reeks mondelinge instructies; makkelijk afgeleid zijn door achtergrondgeluiden.

Moeilijkheden met taal 

  • Langzaam met een antwoord op een vraag komen, zelfs als de leerling het antwoord weet.
  • Langzaam spreken - sommige kinderen worden gediagnosticeerd met verbale dyspraxie.

Moelijkheden met rekenen/wiskunde

  • Cijfers niet op een rij kunnen zetten met fouten door onoplettendheid tot gevolg.
  • Geometrische vormen niet goed kunnen tekenen.

Organisatieproblemen

  • Dingen verliezen of vergeten.
  • De juiste volgorde niet kunnen onthouden, zoals van de maanden van het jaar of de dagen van de week.
  • Een reeks instructies niet kunnen uitvoeren en daardoor lijken niet te luisteren of lijken zich niet te kunnen concentreren.
  • Het onmogelijk vinden gedachten te structureren bij het schrijven van een verhaal.

Emotionele en sociale problemen

  • Weinig zelfvertrouwen met als gevolg een laag zelfbeeld, frustratie, bezorgdheid en angst.
  • Zich niet thuisvoelen in een groep van leeftijdgenoten. 
  • Het niet of moeilijk kunnen lezen van niet-verbale communicatie (gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal). 

Niet alle kinderen zullen al deze kenmerken hebben.  Dyspraxie komt voor in allerlei gradaties. 

  

Identificeren van dyspraxie op jonge leeftijd

Een peuter met dyspraxie zal vaak meerdere van de volgende kenmerken laten zien:

  • Vertraging in het bereiken van mijlpalen wat betreft kruipen, zitten, lopen, praten.

  • Moeite met rennen, springen, hinkelen vergeleken met kinderen van dezelfde leeftijd. 

  • Slecht ruimtelijk inzicht: boven/beneden; voor/achter etc. 

  • Langzaam trappen op en af lopen. 

  • Niet goed weten hoe ze zich moeten gedragen in een sociale omgang met andere mensen.

  • Tegen dingen aanlopen/botsen en gemakkelijk vallen of struikelen. 

  • Vermijden van puzzels maken en vormen sorteren. 

  • Is angstig/bezorgd.

  

Het diagnostiseren van dyspraxie 

Als je denkt dat je kind dyspraxie heeft, neem dan eerst contact op met de huisarts. De huisarts dient een verwijsbrief naar een neuroloog te geven, een kinderfysiotherapeut of een dergelijke specialist, zodat een diagnose gesteld kan worden. Dyspraxie kan alleen maar gediagnosticeerd worden door artsen en verwante specialisten. Door sommige ouders wordt geadviseerd om een schoolarts verbonden aan een Mytylschool of een kinderfysiotherapeut te laten testen; deze mensen mogen namelijk de officiële diagnose stellen. Over het algemeen kunnen kinderen met dyspraxie reguliere scholen blijven bezoeken. Mocht hulp nodig zijn dan kan dit verstrekt worden door een ‘Leerondersteuning’ of een Remedial Teacher.

Soms wordt dyspraxie niet herkend totdat het kind naar het middelbaar onderwijs gaat.  Hij heeft zich, met wat moeite, weten te redden op de lagere school.  Echter, de structuur en bijbehorende benodigde organisatie op de middelbare school kan te moeilijk blijken voor de leerling, en dan kan het zijn dat problemen die samenhangen met het studeren aan een middelbare school, zich aandienen.

Voor meer informatie, kijk op:  http://www.dyspraxiafoundation.org.uk/ (In het Engels)

en http://www.dyspraxie.nl/diagnose.htm#Algemeen